
FunctieZeer nuttig in het programmeren is de mogelijkheid om functies te maken. Naast kant en klare functies kun je ook zelf functies maken. Hiermee kun je bepaalde taken gemakkelijk automatiseren. Je schrijft een keer een functie en kan vervolgens de functie telkens opnieuw aanroepen. Eerst maar eens kijken hoe je een functie opbouwt.
Een functie definieer je met het keyword function. Een functie plaats je in de header van de pagina. Of in een apart bestand.
Tip: het is mogelijk de scripts te plaatsen in een apart bestand. Je kan dan vervolgens dit bestand in elke pagina includen en zo de daar gedefinieerde functies gebruiken. Het includen gaat als volgt: <script src=”javascriptbestand.js”></script>. Het bestand krijgt .js als extensie mee en kan met kladblok gemaakt worden. Het aanroepen van het bestand met javascript doe je in de header.
<head>
<script language="javascript">
function aftrekken(a,b){
var result = a - b;
return result; }
</script>
</head>
<body>
<script language="javascript">
var c = aftrekken(12,4);
document.write(c);
</script>
In het voorbeeld maak ik een functie die het mogelijk maakt een aftreksom te maken. Het enige wat je dan nog moet doen is de functie juist aanroepen en de uitkomst verder verwerken. Maar laat ik bij het begin beginnen.
De functie wordt aangemaakt met het woord function. Dit is een keyword in javascript en kan dus niet ergens anders voor gebruikt worden. Na function komt de naam van de functie te staan, in dit geval aftrekken. De haakjes zijn verplicht. Wat tussen haakjes staat wordt parameter genoemd. Dit kunnen er nul zijn maar ook 3 of meer. Parameters zijn nodig zodra de functie gegevens moet verwerken. In dit geval gaat het om cijfers die van elders komen en door de functie verwerkt moeten worden. De uiteindelijk functie komt tussen { en } te staan.
De functie bestaat uit twee regels met code. Deze code moet bekend voorkomen en behoeft geen toelichting meer. Het enige dat nieuw is het woord return. Dit is net als function weer een keyword. Het wil niet meer zeggen dan dat het een resultaat teruggeeft aan het aanroepen van de functie.
Om een functie te gebruiken moet je weten hoe je een functie aanroept. Je neemt de naam van de functie met de haakjes. Tussen de haakjes komen de waarden voor de parameters te staan. Deze kunnen door de functie verwerkt worden. Als je geen gebruik maakt van parameters kun je de haakjes plaatsen bij het aanroepen van de functie zonder inhoud.
|